Eerst bereid je het specerijenmengsel voor. Voor dit recept kun je allemaal gemalen specerijen nemen, maar het is net iets lekkerder en authentieker als je de specerijen in een vijzel fijnmaakt. Dit heb ik zelf gedaan met het korianderzaad, het karwijzaad, de piment en de kardemom.
Doe de stroop in een pan met het water en zet hem op heel laag vuur. Dit zorgt ervoor dat de stroop iets dunner wordt, zodat de andere ingrediënten er gemakkelijker doorgemengd kunnen worden. Voeg achtereenvolgens de kandijsuiker, de kristalsuiker, het specerijenmengsel en de gekonfijte sinaasappelschil aan de stroop toe en roer alles goed door elkaar.
Meng het bakpoeder door de bloem en voeg telkens drie eetlepels bloem bij de stroop, zodat je langzaam een deeg maakt. Wanneer het deeg te stevig is geworden om te roeren, haal je het uit je pan en kneed je de resterende bloem erdoorheen. Nu heb je een vrij plakkerig deeg, maar dat hoort zo. Wikkel je deeg in vershoudfolie en laat het tenminste 24 uur rusten in de koelkast.
Na 24 uur kun je de printen gaan bakken. Je deeg is nog steeds wat plakkerig, dus haal het folie er voorzichtig af. Rol het deeg uit op je werkblad tot een plak van 0,5 cm dik. Gebruik hierbij ruim bloem op je werkblad en deegroller om plakken te voorkomen. Snijd (eventueel met behulp van een liniaal) rechthoeken van 9 x 4 cm uit het deeg en leg de losse printen op een bakplaat met bakpapier.
Bak de printen in een voorverwarmde heteluchtoven op 160 graden gedurende 15 minuten. Na het bakken haal je de ovenplaat uit de oven en laat je de printen op de plaat afkoelen, totdat ze hard zijn. Printen horen hard te zijn aan de buitenkant en bij het breken een beetje zacht te zijn aan de binnenkant.